THEMA 4

Arbeit und Beruf

Was machst du beruflich?

Rustig opbouwen: woorden → zinnen → luisteren → zelf spreken.

🔊 Luister naar Thomas
Arbeit und Beruf
A4-hoofdstukplaat Arbeit und Beruf

A. Woordenschat

Eerst herkennen, daarna zelf produceren.

1. Woorden leren

Opdracht: Lees de zes woorden hardop. Bedek daarna de Duitse kolom en probeer de Duitse woorden uit je hoofd te zeggen.
werkdie Arbeit
beroepder Beruf
collegader Kollege / die Kollegin
kantoordas Büro
werkenarbeiten
pauzedie Pause

2. Nederlands → Duits

Opdracht: Typ de Duitse vertaling. Klik op Controleren en ga daarna met Volgende door naar het volgende item.

Item 1 van 10

3. Woorden gebruiken

Opdracht: Kies drie woorden uit de tabel. Maak met elk woord één korte Duitse zin. Schrijf de drie zinnen op en spreek ze daarna hardop.

B. Grammatica als gereedschap

arbeiten / sein / haben.

4. Begrijp de bouwstenen

Opdracht: Lees de voorbeeldzinnen. Lees daarna de uitleg onder de zinnen. Wijs in iedere zin het vervoegde werkwoord aan en zeg de zin één keer hardop.

Ich arbeite als Ingenieur.
Ich bin heute im Büro.
Ich habe nette Kollegen.

Uitleg: De drie zinnen geven drie vaste bouwstenen voor werk: Ich arbeite als …, Ich bin … im Büro en Ich habe … Kollegen. Het werkwoord staat in de mededelende zinnen op plaats 2.

5. Maak een variant

Opdracht: Kies één van de voorbeeldzinnen uit oefening 4. Houd de bouw van die zin hetzelfde, maar vervang minstens twee inhoudelijke onderdelen. Schrijf zo één nieuwe, correcte zin. Lees je zin daarna hardop.

6. Maak het persoonlijk

Opdracht: Kies één van de bouwstenen uit oefening 4 die bij jou past. Maak daarmee één zin over jezelf of je eigen situatie. Verander de informatie, maar behoud de zinsbouw. Lees de zin daarna twee keer hardop.

C. Handige zinnen

Zinnen die je in een echt gesprek meteen kunt gebruiken.

7. Zinsbouw — 10 zinnen

Opdracht: Zet de losse woorden in de juiste volgorde. Typ de volledige Duitse zin en klik op Controleren. Ga daarna met Volgende door naar de volgende zin.

Zin 1 van 10

8. Uit het hoofd — 10 zinnen

Opdracht: Lees de zin vijf seconden aandachtig. Daarna verdwijnt hij. Typ de volledige Duitse zin uit je hoofd en klik op Controleren. Ga vervolgens met Volgende door.

Zin 1 van 10

De zin verdwijnt automatisch na 5 seconden.

9. Reageer passend

Opdracht: Lees de voorbeeldzin. Bedenk wat een gesprekspartner hier logisch op kan zeggen: bijvoorbeeld een korte reactie, een vraag of eigen informatie. Schrijf één passende Duitse reactie. Er is meer dan één goed antwoord. Spreek daarna beide zinnen als mini-dialoog.

Ich habe nette Kollegen.

D. Luisteren & uitspraak

10. Luister naar Thomas

Opdracht: Luister één keer zonder mee te lezen. Noteer daarna drie Duitse woorden die je duidelijk hebt verstaan.

11. Luister en controleer

Opdracht: Luister nogmaals. Lees daarna de drie zinnen mee en zet voor jezelf een vinkje bij iedere zin die je nu volledig begrijpt.

□ Ich arbeite als Ingenieur.
□ Ich bin heute im Büro.
□ Ich habe nette Kollegen.

12. Nazeggen

Opdracht: Pauzeer de audio na iedere zin. Zeg iedere zin twee keer na: eerst langzaam en daarna op normaal spreektempo.

Let vooral op ritme en zinsmelodie. Perfect hoeft niet.

E. Spreken

Van steun naar vrij spreken: en nu jij.

13. Spreekoefening 1 — met steun

Opdracht: Beantwoord alle drie de vragen in het Duits. Gebruik per vraag minimaal één volledige zin.
1. Was machst du beruflich?
2. Wo arbeitest du?
3. Was gefällt dir an deiner Arbeit?

14. Spreekoefening 2 — rollenspel

Opdracht: Stel je voor dat je deze situatie echt meemaakt. Spreek 30–45 seconden, gebruik minstens drie zinnen en stel één vraag terug.

15. ☕ En nu jij

Opdracht: Praat vrij over dit thema zonder terug te kijken. Reageer alsof je bij iemand aan de keukentafel zit. Gebruik bijvoorbeeld: Ach so! Wirklich? Ich auch. Interessant! Und du?

Doel: je mond opendoen, reageren en elkaar begrijpen.