THEMA 3
Hier wohne ich
Wie und wo wohnst du?
Rustig opbouwen: woorden → zinnen → luisteren → zelf spreken.
🔊 Luister naar Nina

A. Woordenschat
Eerst herkennen, daarna zelf produceren.
1. Woorden leren
Opdracht: Lees de zes woorden hardop. Bedek daarna de Duitse kolom en probeer de Duitse woorden uit je hoofd te zeggen.
| huis | das Haus |
| woning | die Wohnung |
| kamer | das Zimmer |
| keuken | die Küche |
| tuin | der Garten |
| buurt | die Gegend |
2. Nederlands → Duits
Opdracht: Typ de Duitse vertaling. Klik op Controleren en ga daarna met Volgende door naar het volgende item.
Item 1 van 10
3. Woorden gebruiken
Opdracht: Kies drie woorden uit de tabel. Maak met elk woord één korte Duitse zin. Schrijf de drie zinnen op en spreek ze daarna hardop.
B. Grammatica als gereedschap
es gibt / wohnen / liegen.
4. Begrijp de bouwstenen
Opdracht: Lees de voorbeeldzinnen. Lees daarna de uitleg onder de zinnen. Wijs in iedere zin het vervoegde werkwoord aan en zeg de zin één keer hardop.
Ich wohne in einer Wohnung.
Es gibt drei Zimmer.
Die Wohnung liegt im Zentrum.
Uitleg: Hier staan drie verschillende manieren om over wonen te vertellen: Ich wohne in …, Es gibt … en … liegt im …. Leer de drie bouwstenen als complete patronen; je hoeft er niet één gezamenlijke regel in te zoeken.
5. Maak een variant
Opdracht: Kies één van de voorbeeldzinnen uit oefening 4. Houd de bouw van die zin hetzelfde, maar vervang minstens twee inhoudelijke onderdelen. Schrijf zo één nieuwe, correcte zin. Lees je zin daarna hardop.
6. Maak het persoonlijk
Opdracht: Kies één van de bouwstenen uit oefening 4 die bij jou past. Maak daarmee één zin over jezelf of je eigen situatie. Verander de informatie, maar behoud de zinsbouw. Lees de zin daarna twee keer hardop.
C. Handige zinnen
Zinnen die je in een echt gesprek meteen kunt gebruiken.
7. Zinsbouw — 10 zinnen
Opdracht: Zet de losse woorden in de juiste volgorde. Typ de volledige Duitse zin en klik op Controleren. Ga daarna met Volgende door naar de volgende zin.
Zin 1 van 10
8. Uit het hoofd — 10 zinnen
Opdracht: Lees de zin vijf seconden aandachtig. Daarna verdwijnt hij. Typ de volledige Duitse zin uit je hoofd en klik op Controleren. Ga vervolgens met Volgende door.
Zin 1 van 10
De zin verdwijnt automatisch na 5 seconden.
9. Reageer passend
Opdracht: Lees de voorbeeldzin. Bedenk wat een gesprekspartner hier logisch op kan zeggen: bijvoorbeeld een korte reactie, een vraag of eigen informatie. Schrijf één passende Duitse reactie. Er is meer dan één goed antwoord. Spreek daarna beide zinnen als mini-dialoog.
Die Wohnung liegt im Zentrum.
D. Luisteren & uitspraak
10. Luister naar Nina
Opdracht: Luister één keer zonder mee te lezen. Noteer daarna drie Duitse woorden die je duidelijk hebt verstaan.
11. Luister en controleer
Opdracht: Luister nogmaals. Lees daarna de drie zinnen mee en zet voor jezelf een vinkje bij iedere zin die je nu volledig begrijpt.
□ Ich wohne in einer Wohnung.
□ Es gibt drei Zimmer.
□ Die Wohnung liegt im Zentrum.
12. Nazeggen
Opdracht: Pauzeer de audio na iedere zin. Zeg iedere zin twee keer na: eerst langzaam en daarna op normaal spreektempo.
Let vooral op ritme en zinsmelodie. Perfect hoeft niet.
E. Spreken
Van steun naar vrij spreken: en nu jij.
13. Spreekoefening 1 — met steun
Opdracht: Beantwoord alle drie de vragen in het Duits. Gebruik per vraag minimaal één volledige zin.
1. Wie wohnst du?
2. Wie viele Zimmer gibt es?
3. Was gefällt dir an deiner Wohnung?
1. Wie wohnst du?
2. Wie viele Zimmer gibt es?
3. Was gefällt dir an deiner Wohnung?
14. Spreekoefening 2 — rollenspel
Opdracht: Stel je voor dat je deze situatie echt meemaakt. Spreek 30–45 seconden, gebruik minstens drie zinnen en stel één vraag terug.
15. ☕ En nu jij
Opdracht: Praat vrij over dit thema zonder terug te kijken. Reageer alsof je bij iemand aan de keukentafel zit. Gebruik bijvoorbeeld: Ach so! Wirklich? Ich auch. Interessant! Und du?
Doel: je mond opendoen, reageren en elkaar begrijpen.